Het configureren van de triggers is de tweede stap in het instellen van de automatisering.
Een automatisering kan alleen worden geactiveerd als deze is geactiveerd en binnen de activeringsperiode valt. U kunt activeringsperioden configureren in de geavanceerde instellingen voor automatisering.
Om de automatiseringstriggers goed te laten werken, moeten alle servers en werkstations in uw systeem in de tijd worden gesynchroniseerd.
Procedure
Selecteer de automatisering en klik op het tabblad Eigenschappen.
Selecteer het triggertype.
Het triggertype bepaalt hoe de automatisering wordt uitgevoerd:
Handbediend
De gebruiker kan de automatisering activeren vanuit kaarten, sneltoetsacties of handmatige acties.
Gepland
Een eenmalig of terugkerend schema activeert de automatisering. Dit type automatisering komt overeen met een geplande taak.
Gebeurtenis
Specifieke gebeurtenissen in het systeem activeren de automatisering. Deze vorm van automatisering is vergelijkbaar met een gebeurtenis-naar-actie, maar biedt meer flexibiliteit.
OPMERKING:
Alle automatiseringen kunnen handmatig of vanuit een andere automatisering worden geactiveerd, ongeacht het geselecteerde triggertype.
Voor een geplande automatisering stelt u de herhaling op dezelfde manier in als voor een geplande taak.
Als u de automatisering wilt uitvoeren bij het opstarten, selecteert u Bij het opstarten van Automatiseringsmanager in plaats van Bij opstarten.